Hoe meer we het oplossen met plekken en voorzieningen, hoe makkelijker het wordt om te denken dat veiligheid iets is dat "geregeld" wordt. Maar water onderhandelt niet, en het kijkt niet of de plek netjes is ingericht. Eigen verantwoordelijkheid — kunnen zwemmen, nuchter blijven, je kind vasthouden — blijft de eerste lijn.
De cijfers wijzen dezelfde kant op. In 2025 overleden in Nederland 132 mensen door een accidentele verdrinking. Ernstig — maar het probleem schuilt niet in een tekort aan zwemplekken; het schuilt in vaardigheid en besef. Veertien procent van de kinderen tussen zes en twaalf heeft geen enkel zwemdiploma, onder kinderen met een migratieachtergrond zelfs veertig procent tegen negen procent zonder. Dáár zit de rem: in die diplomakloof, niet in het aantal plekken. Voor kinderen die anders buiten de boot vallen, kan schoolzwemmen helpen dat gat te dichten — als aanvulling op de reguliere zwemles bij een zwemschool, nooit als vervanging daarvan. Geen enkele nieuwe recreatieplas maakt een kind dat niet kan zwemmen veiliger.
Begrijp me goed: ik ben niet tegen goede zwemplekken — integendeel, mooie en veilige plekken om te zwemmen zijn waardevol. Maar het is de tweede stap, niet de eerste. Draaien we de volgorde om — eerst infrastructuur, dan pas de mens — dan bouwen we een land vol voorzieningen die het echte probleem niet raken.
Laten we de energie dus richten waar ze het meeste oplevert: leren zwemmen, gevaar leren inschatten, en het besef dat open water nooit vanzelfsprekend veilig is. Investeer eerst in mensen, dan in plekken. Dat is geen populaire boodschap op een warme dag — maar het is wel de boodschap die levens redt.